Historiek

Kanalisatie van de Kempen

Reeds in de late middeleeuwen werd gedacht aan een verbinding tussen Maas- en Scheldebekken via een kanaal:

- één van de oudste projecten voor een Maas-Schelde-verbinding dateert van 1517 toen Karel V een concessie verleende voor de kanalisatie van Demer, Gete en Mahaigne doch het kwam nooit tot een echte realisatie;

- in 1626 begon markies San Angelo met het graven van een kanaal, de zogenaamde “Fossa Eugeniana”, in de omgeving van Venlo. Het kanaal was hoofdzakelijk be-doeld als verdedigingslijn tegen de Verenigde Provin-ciën;

- het verdrag van Munster in 1648 kende aan Nederland de feitelijke heerschappij toe over de riviermonden van Rijn, Maas en Schelde waardoor de aanleg van een Schelde-Maas-Rijnverbinding verloren leek;

- in de 17de en de 18de eeuw werden nog pogingen aangewend om een verbinding tot stand te brengen doch zonder resultaat;

- in 1803 besloot Napoleon Bonaparte tot het graven van een verbinding vertrekkende van Neuss op de Rijn over Venlo op de Maas, over de laagste scheidingslijn tussen Maas en Schelde - nl. tussen Bocholt en Lommel - naar Antwerpen over Herentals. Hij noemde dit “le Grand Canal du Nord”. In 1808 is het werk op verschillende plaatsen in uitvoering en in 1809 is de voedingsgracht beëindigd evenals verschillende kanaalsecties;

- de aanhechting van het koninkrijk Holland in 1810 bij het Franse keizerrijk had het stopzetten der werken tot gevolg, vermits de Hollandse autoriteiten deden gelden dat de “Tussenwateren in Nederland” de drie rivieren reeds samenbrachten waardoor alle andere verbin-dingen overbodig waren;

- na de hereniging van de Nederlanden onder Willem I werd het werk van Napoleon voltooid in die zin dat de voedingsgracht van het Grand Canal du Nord werd verbreed en doorgetrokken tot Maastricht. Verder noordwaarts volgde het tracé de in 1810 verlaten werken van het “Noordkanaal” tot Nederweert en verder naar de Maas te ’s-Hertogenbosch. Deze verbinding tussen het Luikse bekken en de Nederlandse havens kreeg de naam “Zuidwillemsvaart”;

- de vraag in 1828 van de provincie Antwerpen om het Noordkanaal tot Antwerpen door te trekken werd geweigerd;

- de zuidelijke provincies moesten wachten tot de oprichting in 1830 van een soevereine Belgische Staat om een verbinding met de Schelde tot stand te zien komen. In 1843 werd bij wet besloten tot het graven van het kanaal Bocholt-Herentals. Dit kanaal waarvan de werken voltooid waren in 1846 werd verlengd naar Antwerpen langs de Kleine Nete, de Beneden-Nete, de Rupel en de Schelde;

- drie verbindingen werden hierop aangesloten: het kanaal van Beverlo, het kanaal van Dessel over Kwaadmechelen naar Hasselt en het kanaal van Dessel naar Turnhout en verlengd naar Schoten.

De kanalisatie van de Kempen is grotendeels gerealiseerd in twee tijdsperioden: enerzijds de aanleg van de Kempense kanalen met de zijkanalen in de periode tussen 1845-1875 en anderzijds de aanleg van het Albertkanaal tussen 1939 en 1940.


Het Kamp van Beverlo

De beslissing van Leopold I om in “La grande Bruyère” - een heidegebied dat zich uitstrekte tussen de dorpen Balen, Lommel, Hechtel, Ham, Beverlo en Olmen - een legerkamp op te richten was eveneens zeer belangrijk voor de ontsluiting van onze regio. Er waren drie belangrijke argumenten voor de keuze van dit gebied:
- militair: de controle op de noordelijke grens;
- economisch: de spotgoedkope en uitgestrekte gronden;
- hygiënisch: voldoende hoeveelheden drinkwater.

In 1835 werd gestart met de bouw van het militaire kamp. Het dorp Leopoldsburg zelf ontstond pas in 1850. De oprichting van dit legerkamp vormde de aanleiding tot het graven van het Kanaal van Beverlo.


Het Kanaal van Beverlo

Het traject

Het Kanaal van Beverlo is één van de aftakkingen van het Kempens Kanaal, die vertrekt in de kanaalkom aan de Blauwe Kei. Het gehucht Blauwe Kei dankt zijn naam aan een grote platte leisteenachtige grenssteen die in 1926 verdween onder een grote hoeveelheid baggergrond bij de verbredingswerken aan het Kanaal Bocholt-Herentals. Het Kanaal van Beverlo start op Lommels grondgebied. Het bereikt Balen ter hoogte van de spoorwegbrug aan de huidige Vlasstraat. Vandaar maakt het een bocht langsheen de zinkfabriek Union Minière (voorheen Vieille Montagne) en de vroegere terreinen van de buskruitfabriek PRB. Het kanaal verlaat het Balens grondgebied een eerste keer ter hoogte van de Kapelstraat (Keiheuvel) om nadien, na een klein ommetje op Lommels grondgebied, terug Balen binnen te komen aan de brug op de Vennen. Vanaf de Vennen volgt het kanaal zijn loop langs Balen-Kerkhoven en Balen-Schoorheide tot aan de gemeentegrens met Leopoldsburg (ter hoogte van forelvijver Lido). Een paar honderd meter verder stopt het in de kanaalkom van Leopoldsburg.

Bij de aanleg van het kanaal, tussen 1854 en 1857, werd rekening gehouden met het hydrostatisch evenwicht van 41,46 meter (het niveau van de Blauwe Kei) waardoor op het 14,8 kilometer lange traject geen sassen of sluizen aangelegd dienden te worden maar wel enkele bochten.

De aanleg

Nadat alle nodige onteigeningen en plannen voor het kanaal klaar waren werden er in elk dorp, waar “de Vaart” zou passeren (Lommel, Balen en Beverlo), aankondigingen verspreid om “gravers” en “kruiers” te ronselen. In de toen nog arme Kempen, waar nog armoede heerste in talrijke gezinnen, kwam deze werkgelegenheid goed van pas.

Spade, schop, kruiwagen en “kipkarren” (dezelfde kipkarretjes als deze die later gebruikt werden bij de eerste zandwinningen) waren zowat de enige werktuigen die gebruikt werden om het kanaal uit te graven. De uitgegraven aarde werd in driehoekige metalen kipkarretjes (door mankracht voortbewogen) via een speciaal langsheen het traject aangelegd smalspoor vervoerd om er de dijken mee aan te leggen. In moerassige en lager gelegen gebieden moest heel wat zand van hogere gebieden aangevoerd worden.

Waar natuurlijke waterlopen of beekjes het kanaal kruisten werden “duikers” gemetseld. Op het Kanaal van Beverlo zijn nog steeds de originele duikers in gebruik mede omdat er nooit echte moderniseringswerken aan het kanaal gebeurd zijn. Aldus is de waterweg naar Beverlo één van de weinige kanalen waar nog een natuurlijke oeverbegroeiing is terug te vinden.

Aan de bruggen werden op verschillende plaatsen grote vierkante schutten gemetseld om in geval van nood de dambalken tegenaan te drijven. Deze dambalken, die meestal gestockeerd werden in de nabijheid van de brug, onder een afdak of in een speciaal daarvoor opgericht magazijntje, moesten er bij een dijkbreuk voor zorgen dat het kanaal niet zou leeglopen. Deze rechthoekige zware balken werden in het water getrokken waar men ze tegen de gemetselde schutten liet aandrijven. Het nut van deze constructies werd duidelijk bewezen bij een dijkbreuk op de Vennen in 1949.

De dijken van het kanaal werden beplant met loofbomen als extra versteviging en om schaduw te bieden aan de trekpaarden die de schepen door het kanaal loodsten.

De inhuldiging

Het Kanaal van Beverlo werd officieel ingehuldigd op 12 juni 1857. Ter gelegenheid daarvan brachten twee vracht-schepen, de “Hercules” en de “Charlemagne”, 190 ton steenkool aan vanuit de mijn “Bonne Espérance" te Luik. Ze werden in Leopoldsburg verwelkomd door Burgemeester Vander Elst en secretaris Caimo.

De officiële proefvaart was uitstekend geslaagd en na voltooiing van de dijken en kaaien werd het Kanaal van Beverlo op 15 oktober 1857 definitief voor de scheepvaart geopend.

De resultaten

De irrigatie van tal van heidegebieden, de aanvoer van goederen naar het legerkamp in Leopoldsburg, de aanvoer van grondstoffen naar en het vervoer van afgewerkte producten uit grote industriële vestigingen, de toename van de tewerkstelling en als een gevolg hiervan de sociale opbouw in de regio, … zijn enkele gevolgen van de aanleg van dit kanaal.

Toch moest men na enkele jaren echter al vaststellen dat het vervoer over het kanaal niet de verhoopte resultaten opleverde.

Enkele gehuchten of woonkernen hebben wel hun bestaan of heropleving aan het kanaal te danken:
- op Lommels grondgebied: de gehuchten Blauwe Kei en Stevensvennen;
- voor Balen en Lommel: het gehucht Kerkhoven.

Café’s, handelshuizen en woningen werden langsheen het kanaal opgericht en er kwam een tolkantoor voor de vaartrechten op de Blauwe Kei. Ook de dijkwachter en de scheepstrekdienst kregen in de omgeving van de vaart een onderkomen.

De eerste jaren is er op het Kanaal van Beverlo vooral vervoer van kalk, stenen, pannen, steenkool en hooi. Langsheen het kanaal ontstaan er magazijnen en enkele op- en overslagplaatsen.

In een latere periode neemt het vervoer weliswaar toe doch nog steeds in merkelijk mindere mate dan op het Kempens Kanaal of op de andere zijkanalen ervan. De trafiek in deze tijd bestond uit: delfstoffen en bouw-materialen, vaste en vloeibare brandstoffen, nijverheids-producten, voedingswaren, landbouwproducten en mest-stoffen.

Vandaag heeft het Kanaal van Beverlo vooral een recreatieve functie.

Op industrieel gebied heeft het kanaal enkel nog belang voor het non-ferro bedrijf Union Minière.

Industriële vestigingen langsheen het kanaal

De in 1847 gestemde wet die gemeentebesturen toeliet om de zogenaamde woeste (heide-)gron-den te verhuren of verkopen was samen met de aanleg van nieuwe wegen, spoorwegen en kanalen van zeer grote betekenis voor het aantrekken en vestigen van grote industrieën in de Kempen op het einde van de 19de eeuw.

Zandwinning
Een eerste vorm van industriële bedrijvigheid in onze streken is ongetwijfeld de zandwinning. Reeds van in de helft van de 19de eeuw was men er tijdens de graafwerken aan de kanalen achter gekomen dat het witte zand in de ondergrond van onze regionen een belangrijke economische rol kon spelen.

Dit wit zand is een kwartszand samengesteld uit 99% kwarts en 0,4% ijzeroxide met een zeer fijne regelmatige korrelstructuur. Om die reden wordt het kristalzand of zilverzand genoemd. Wit zand wordt gebruikt in: glasproductie, chemische nijverheid, zeep- en schuurmiddelfabricage, gieterijen, keramiek, email, porselein, verven, vulstoffen, vuurvast materiaal, lijmen, glasvezel, microchips en CD’s.

Tussen 1850 en 1870 bestonden er in de omgeving van het kanaal ter hoogte van de Blauwe Kei en Stevensvennen al enkele kleinere particuliere zandwinningen. In 1887 startte de gemeente Lommel met een eerste zandwinning op de Hoogmaatheide in de nabijheid van de Blauwe Kei. In 1891 werd een tweede gemeentelijke zandwinning geopend in Lommel-Kattenbos. Het winnen van zand gebeurde nog met schepnetten (beugels) vanop vlotten. De zandwinning in Lommel-Kattenbos was groter en relatief renderend want in 1892 werd zelfs een smalspoor aangelegd vanuit de groeve in Kattenbos naar het Kanaal van Beverlo.

In 1896 startte Stanislas Emsens in Lommel-Stevensvennen met een op industriële leest geschoeide zandwinning. Hij gebruikte een gemechaniseerd systeem, later gevolgd door elektrische zuig- en laadinstallaties. In tegenstelling tot het Lommelse gemeentebestuur was Stanislas Emsens ook geïnteresseerd in de oprichting van nevenindustrieën van de zandwinning, zoals een steenbakkerij (in 1906) en een glasfabriek (in 1908).

In 1906 richtte Emsens de “Briqueterie des Stevensvennen – Briques Sili” op en in 1908 volgde de “Verreries des Stevensvennen – S.E.L. (Stanislas Emsens Lommel)”. Deze glasfabriek specialiseerde zich in het maken van flessen waarvoor een beroep gedaan werd op Duitse gastarbeiders. Speciaal voor hen werd in de onmiddellijke nabijheid van de fabriek een kleine woonwijk gebouwd die bekend staat als “Klein Duitsland”. De Verreries werd helaas gesloten op 1 maart 1913.

Jeneverstokerij
In het gehucht Stevensvennen werden op het einde van de 19de eeuw twee stokerijen opgericht. Een eerste stokerij startte haar productie in het najaar van 1896. In het voorjaar van 1897 begon Stanislas Emsens met een kleine coöperatieve landbouwstokerij die haar activiteiten reeds in 1902 stopzette.

Brouwerij
De “Brasserie des Stevensvennen” werd in 1899 opgericht, door Henri Bougard, directeur van één van Emsens’ zandgroeven. In 1906 en 1907 gaat de brouwerij telkens over in andere handen en na een langzame aftakeling worden alle brouwactiviteiten gestopt in 1920.

Houthandel
In het begin van de 20ste eeuw werd door Stanislas Emsens de “Houthandel - Elektrieke Zagerij en Schaverij van Stevensvennen” opgericht.

Verrerie Campinoise
Met de bouw van de “Verrerie Campinoise” - met moederbedrijf in Charleroi - werd gestart in 1924 in opdracht van de Compagnie Solvay. Toen de fabriek grotendeels afgewerkt was en de productie van het vensterglas op dreef kwam brak helaas een economische crisis uit, welke nog meer in de hand werd gewerkt door de nakende Tweede Wereldoorlog.

Omwille van financiële problemen was Solvay verplicht zich meer te concentreren op de Waalse glasindustrie en werd de productie in de fabriek langsheen het Kanaal van Beverlo noodgedwongen gestopt.

In de onmiddellijke omgeving van de glasfabriek werd door de directie een arbeiderswijk opgericht. Na de sluiting van de glasfabriek werd de tuinwijk bewoond door arbeiders van de nabijgelegen Poudreries Réunies de Belgique (PRB) en Vieille Montagne (VM).

Na de oorlog werden het gebouw en omliggende gronden opgekocht door PRB, doch ook nu kwam het nooit tot enige industriële bedrijvigheid. Een tiental jaren later gebeurde er weer een transactie waarbij het geheel in handen kwam van de zinkfabriek Vieille Montagne die het hoofdgebouw van de vroegere glasfabriek gebruikte als opslagplaats voor arsenicum (afvalproduct bij loodfabricatie). In 1974 stond het gebouw weer helemaal leeg en in 1991 werd besloten het complex in zijn geheel te slopen.

Verffabriek
De verffabriek of de “Manufacture Belges de Couleur” werd door een Brusselse maatschappij opgericht in de jaren 1908-1910 in de nabijheid van het Kanaal van Beverlo omwille van de onmiddellijke beschikbaarheid van de nodige grondstoffen: zwavelzuur (afkomstig van Vieille Montagne en van de Lommelse zinkfabriek) en kristalzand (afkomstig van de talrijke zandwinningen).

Katoendrukkerij De Kempen
De naamloze vennootschap Katoendrukkerij “De Kempen” werd opgericht op Lommels grondgebied op 2 februari 1933. Het fabricageprocedé bestond erin ruwe weefsels van diverse herkomst (zowel katoen als kunstzijde) in een reeks stadia waaronder bleken, verven, drukken (met roldruk en filmdruk), fixeren, finishen en toiletteren zodanig te bewerken dat een volledig gamma op de markt kon gebracht worden van de gekende japonstoffen – schortenbont – moltonnéartikelen – meubelstoffen – tafelkleden – zakdoeken – vlaggen en Africa-prints onder de wereldmerknaam VLISCO. Deze naam Vlisco is een afkorting van de naam van de eerste directeur van de katoenfabriek: de heer Van Vlissingen. Uiteindelijk werd de fabriek volledig gesloten in 1966.

Cellulosefabriek
Enkele jaren na de oprichting van de verffabriek werd in de onmiddellijke omgeving een cellulosefabriek opgericht. Hier werden beenderen fijngemalen en verwerkt tot lijm en tot een soort harde kunststof. Deze fabriek kende geen langdurig bestaan. Een bewijs van haar bestaan is de aanwezigheid van een spoorlijn ernaartoe zoals voor de verffabriek.

In Balen vestigden zich in het gebied begrensd door de IJzeren Rijn en het Kanaal naar Beverlo twee grote industriële ondernemingen: in 1884 richtte de Franse maatschappij “La Compagnie de la Forcite” een dynamiet-fabriek op “Poudreries Réunies de Belgique” (P.R.B.). Tussen 1888 en 1889 werd langs het Kanaal van Beverlo de zinkfabriek NV Vieille Montagne opgericht.

Vieille Montagne (het huidige Union Minière)
Eind 1888 werd door de N.V. Vieille Montagne een terrein aangekocht van ongeveer 400 hectaren, gelegen te Balen-Wezel, hoofdzakelijk bestaande uit heide, moeras en bossen. De voornaamste reden voor de inplanting te Balen-Wezel was de zeer gunstige geografische ligging langs de IJzeren Rijn en langs het Kanaal van Beverlo. Op deze terreinen werd in 1889 een roosteenheid (ontzwaveling) opgericht waarvan de productie startte in september 1890. De activiteiten in de fabriek werden uitgebreid tot een eigen productie van zink en talrijke nevenproducten van hoogstaande kwaliteit.

Parallel aan de groei van de fabriek ontwikkelde zich het gehucht Wezel (Balen- en Mol-Wezel). Vieille Montagne bouwde in de periode tussen 1890 en W.O.II in de onmiddellijke omgeving van de fabriek op Balens, Mols en Lommels grondgebied arbeiderswoningen en villa’s voor kaderleden. Vrij vlug werden er ook een kerk, een school, een hospitaal met moederhuis en een casino gebouwd.

Poudreries Réunies de Belgique (PRB)
In 1881 koopt de Franse firma N.V. “Compagnie de la Forcite” ongeveer 10 hectaren heidegrond in de Vuurbergen, een gebied ten oosten van het Kanaal van Beverlo onder de gemeente Balen, en vraagt een vergunning tot het oprichten van een buskruitfabriek. Op 16 augustus 1882 wordt de toelating verleend bij Koninklijk Besluit. Nog datzelfde jaar startte de bouw van de fabriek en in 1884 werd begonnen met de productie van buskruit.

In 1920 werd de fabriek opgekocht door de Poudreries Réunies de Belgique (PRB). In 1926 begint men met de productie van T.N.T. Tijdens de Tweede Wereldoorlog wordt de fabriek door de Duitsers bezet om de productie van springstoffen te laten doorgaan. Op 4 december 1942 legde een grote ontploffing de ganse fabriek in puin. Na de oorlog werd de fabriek heropgebouwd en gemoderniseerd. In de jaren 1980 was de economische achteruitgang in deze industrietak steeds duidelijker merkbaar. De fabriek stopte haar activiteiten in 1990. Men is nu nog steeds bezig met de sanering van de vroegere fabrieksterreinen.

Agrarische ontwikkeling
Op 13 december 1844 stelde hoofdingenieur Kümmer - belast met de werken aan de kanalen -: “De staat moet er voor zorgen dat zoveel mogelijk vloeiweiden worden aangelegd, want met water wint men gras, met gras wint men vee, met vee produceert men mest en met mest kan men ontginnen”. De staat zou de woeste heidegronden voorbereiden voor ontginning door de aanleg van vloeiweiden en later verkopen aan particulieren.

Een eerste belangrijke stap was het graven van het Kempens Kanaal, het Kanaal van Beverlo en het Kanaal Dessel-Kwaadmechelen. Vervolgens werden vloeiweiden aange-legd met de bedoeling de arme en zure heidegronden te bevloeien met rijk mineraalhoudend Maaswater via een ingewikkeld systeem van boven- en ondersloten, grachten en zoeven. Ook op Stevensvennen werden dergelijke vloeiweiden aangelegd, die van water voorzien werden door het Kanaal van Beverlo.

De vloeiweiden dienden vooral voor het winnen van hooi dat in die periode gebruikt werd als brandstof en als voeding voor de paarden van het leger, rijkswacht …

Deze informatie is ter beschikking gesteld door “Erfgoed Lommel” www.erfgoedlommel.be.

Contact informatie

Nieuws

Zaterdag 20 februari 2016 hadden we onze jaarlijkse Statutaire Algemene Vergadering.
Via een beamer en een gedetailleerde uitleg werd alle informatie meegedeeld, de vergadering werd afgesloten met een heerlijke maaltijd in Taverne De Waterkant.